‘Het is toch maar een cartoon?’

Wie kan de grens aan het subjectieve trekken? Recent bestempelde de rechtspraak enkele cartoons als lasterlijk of beledigend. Peanuts tussen de miljoenen spotprenten die dagelijks verschijnen, maar wel gevaarlijke precedenten voor verdere beknotting van de persvrijheid van cartoonisten. Marec, huiscartoonist van het Nieuwsblad en Lectrr, de eerste Vlaamse webcartoonist belichten hun persvrijheid en reflecteren over de veroordelingen van cartoons.

Door Veerle Dubois

CARTOONS IN ONZE PERS

Op redacties bepalen lezers- en adverteerdersmarkt wat kan. Marec betreurt dat de pers afglijdt naar een economisch product: ‘Ook ik ben geen ongeleid projectiel, maar gelukkig kan ik nog af en toe meningen verkondigen die haaks staan op bepaalde redactionele overtuigingen.’ Lectrr hekelt de invloed van de adverteerdersmarkt: ‘Sommige redacties beschermen hun financiers door enkele onaantastbare voorwaarden te stellen. Bovendien beseffen ze dat een cartoon geld kost, terwijl diezelfde ruimte met een advertentie geld opbrengt.’ Lectrr bestempelt spotprenten als overbodig: ‘Redacties zien cartoons vaak als bladvulsels en de tijd dat ze nog koppen deden rollen is voorbij. Integendeel, mensen zijn bijna vereerd als je met hen lacht. Dan krijg ik mails van BV’s over hoe tof ze hun cartoon wel vonden. Dan denk ik “Tof? Hallo, ik heb wel met u gelachen!“‘ Politiek cartoonist Marec verafschuwt de appreciatie van zijn cartoons door politici: ‘Jean-Luc Dehaene bijvoorbeeld besefte maar al te goed dat je onbelangrijk was als je niet in een cartoon verscheen. Hij vond de grootste aanval in een cartoon de beste. Maar die lovende woorden vind ik geen erkenning, want heb ik mijn werk als criticus dan wel goed gedaan?’

TAAK CARTOONIST

Elke cartoonist legt een andere klemtoon. Gal, huiscartoonist van Knack, zei ooit: “Ik ben een journalist met een tekenpen.” Marec wil zijn cartoons die druk niet opleggen: ‘Gal kan die journalistieke waarde in zijn werk leggen, maar ikzelf ga daar lichter over.’ Lectrr eert Gal, maar vreest dat zijn methode onwerkbaar is geworden: ‘Hij maakt inhoudelijk onderbouwde, visueel sterke tekeningen en mijn generatie maakt gewoon grapjes. Meer dan banaliteit wordt van ons niet verwacht. Gal schilderde als portrettist de politieke actualiteit, terwijl wij nu hofnar spelen.’ Ook de maatschappelijke relevantie van cartoons lijkt volgens Lectrr verdwenen:’Het middenveld is te breed om zware politieke overtuigingen te lanceren. Wij verlichten enkel de actualiteit door de draak te steken met politieke gebeurtenissen. Wij helpen mensen begrijpen en vaak vormen ze hun mening via de cartoon!’ Marec wijst hierbij op een gevaar. ‘Een tekening kan ook niet of verkeerd begrepen worden, vaak omdat de context van satirische bladen vergeten wordt. Lezers van de New Yorker, de Charlie Hebber of El Jueves, weten dat het satire is. Maar die bladen zijn in de krantenwinkel voor iedereen zichtbaar. Vaak snappen mensen die satirische knipoog dan niet, waardoor ze de foute conclusies trekken:”Zie je wel dat het zo is, want de New Yorker zegt het ook“. Een bevestiging van wat men eigenlijk wil aanklagen. Heel contradictorisch.’ Beide cartoonisten willen vooral problemen relativeren en een vrolijke noot brengen. ‘Als cartoonist kun je mensen even uit hun dagelijkse sleur halen. In drie seconden ruk je ze uit hun bestaan, relativeer je het zaakje, breng je ze aan het lachen en stuur je ze weer de wereld in.’, verkondigt Lectrr. Bij collectieve hysterie tracht Marec iedereen terug met zijn voeten op de grond te zetten: ‘Net het omgekeerde van wat die 9/11-cartoon of die Deense cartoons teweegbrachten. Ik kan me inbeelden dat op zo’n moment, in een explosief gebied, de boel ontploft. Maar uiteindelijk is het toch maar een cartoon?!’

DE GRENS

Lectrr meent dat alles moet kunnen in een cartoon, met een constante zoektocht naar de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare als leidraad.’Redacties weigeren cartoons, maar dat wil daarom niet zeggen dat wij ook vinden dat ze niet kunnen. Tant pis als hij geweigerd wordt, ondertussen is hij wel gemaakt! Zo’n cartoon publiceer ik dan via andere kanalen waar ze ook hun publiek vinden.’ Marec nuanceert: ‘Eens de vertrouwensrelatie met de lezer er is, kan je verdergaan. Zonder je principes te verloochenen, want die verkregen vrijheid mag je niet misbruiken om om het even wat te tekenen. Je draagt verantwoordelijkheid voor jezelf én voor de maatschappij.’ Helaas worden cartoonisten ook beperkt door maatschappelijke taboes, zoals de dood en pedofilie. ‘Het is niet aan ons om grenzen te stellen, want de realiteit kent ook geen grenzen. Gruwelijkheden gebeuren en het is onze taak om een perspectief te bieden. Veel mensen snappen echter het verschil niet tussen iemand die een grap maakt over iets en iemand die het effectief doet. Ze trekken bijna harder van leer tegen de cartoonist dan tegen de pedofiel bij wijze van spreken. En dat zet nog meer aan om zo’n grappen te maken.’, verduidelijkt Lectrr.

Mensen klagen vaak over cartoons en volgens Marec zijn er twee determinerend factoren waarom. ‘De factor betrokkenheid speelt heel hard mee, maar overal is wel iemand bij betrokken en wanneer je met al die gevoeligheden rekening moet houden, kun je beter stoppen. Ook de nabijheid speelt een rol. Bush zal nooit aan mijn deur staan bijvoorbeeld. Maar hoe meer kritische cartoons over je naaste omgeving, hoe groter het risico en net dat getuigt van moed.’ Wat publieke personen betreft, hanteert Marec het principe ‘hoe hoger de functie, hoe minder bescherming‘. Een wet of gerechtelijke uitspraak zou publieke personen en hun functie niet mogen beschermen tegen satirische aanvallen. Wat wel gebeurde met CEO George Forrest. Hij kreeg op 25 april 2008 één symbolische euro morele schadevergoeding voor een cartoon op de cover van MO* (maart 2006) die hem associeerde met Mobutu. Marec denkt er het zijne van: ‘Die cartoon is niet eens zo beledigend! Hij had beter de binnenillustratie bij het artikel aangeklaagd, want die is toch een tikkeltje erger, niet?’ Lectrr tekende deze binnenillustratie en snapt zelf ook niet waarom Forrest enkel de cover aanklaagde. Beiden benadrukken ook het ongewone karakter van de gerechtelijke beslissing. ‘Onze vrije meningsuiting is gesteund door een recht op parodie en satire. Het is redelijk uniek in de wereld, maar blijkbaar oordeelt de rechter in het geval van MO* dat de parodie te ver ging. Maar waar ligt dan de grens?’, vraagt Lectrr zich af. Marec vult aan: ‘We hebben ook het recht om te spotten met publieke personen. Het gaat om hun functie en hoe ze ermee omgaan, waarom moet je als cartoonist dan ontkennen dat ze er zijn?’

VEROORDELINGEN VAN CARTOONS

‘Een veroordeling moet motiveren om dergelijke cartoons te blijven publiceren. Het systeem kan nooit snel genoeg draaien om een cartoonist of illustrator tegen te houden!’, verkondigt Lectrr strijdvaardig. Marec trekt ook ten aanval: ‘Ik kan geloven dat iemand zich vreselijk stoort aan een afbeelding of dat een cartoon de boel doet escaleren, maar een veroordeling gaat te ver! Een cartoon is één van de laatste vrijheden die overblijven in de pers en daaraan mag niet geraakt worden!’ Lectrr beaamt: ‘Spotprenten behoren tot het domein van het subjectieve en wat die rechter daar komt zoeken, snap ik niet. Het subjectieve afbakenen met rechtspraak is nefast voor alles wat volgt.’

Het recht op vrije meningsuiting moet absoluut verworven blijven, maar pas in vergelijking met andere landen wordt duidelijk dat het Westers debat over persvrijheid een luxedebat is. Marec verduidelijkt: ‘Ik denk vaak, ik heb gemakkelijk praten want ik ben in België geboren. Als cartoonist in Afghanistan heb je pas lef nodig, want je riskeert opgehangen te worden.’ Lectrr begrijpt het belang van gegarandeerde persvrijheid beter door zijn contacten met Iraanse cartoonisten: ‘Ik kan me voorstellen dat ik in Iran al lang geen handen meer zou hebben. Wij zitten in een luxepositie en vinden het maar normaal onze mening te ventileren zonder dat iemand deze fundamenteel beknot. Soms door redacties ja, maar nooit met fysiek geweld.’ ‘Het is ook gemakkelijk om over persvrijheid te spreken als een symbolische schadevergoeding het enige risico is. Uiteraard is het even erg om die euro te betalen en je te verontschuldigen. Het blijft beknotting van de persvrijheid, maar ik geef liever die euro dan dat ik mijn leven moet geven!’, aldus Marec.

Dit is het uiteindelijke resultaat van twee gesprekken met cartoonisten Marec en Lectrr over persvrijheid van cartoonisten. Binnenkort zullen beide interviews afzonderlijk op mijn blog te lezen zijn.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s